In Marennes-Oléron is de wijnbouw de oudste traditionele bezigheid. Zij werd er reeds beoefend op het einde van de derde eeuw. Maar zij kende een grote uitbreiding in de elfde en twaalfde eeuw toen de bossen gerooid werden.
Samen met de zoutwinning was het toende hoofdactiviteit op het eiland . Op het einde van de 19de eeuw werden de wijnstokken aangetast door de Phylloxéra vele wijnboeren waren hierdoor geruïneerd. Vele gewezen arbeiders kochten toen de wijngaarden van de
wijnbouwers. Op dat ogenblik worden grote eigendommen verkaveld en starten de coöperatieve kelders . In Oléron waren er toen 5 cooperatieven. Momenteel beslaat de wijnbouw een oppervlakte van ongeveer 700 ha, dit voornamelijk in het Noorden van het eiland. Men telt er nog een twaalftal wijnbouwers. Deze produceren pineau ,wijnen uit de streek, Cognac en likeuren. Er blijft slechts één coöperatieve kelder en die bevindt zich te
Saint-Georges d'Oléron.
De Oléronese wijn karakteriseert zich door de variëteit van de gronden, een voordelig klimaat en voornamelijk veel zon. Sedert een tiental jaren hebben de wijnen de ‘appellation vin de pays charentais - Ile d'oléron’ gekregen .
Getuigenis van Pascal wijnbouwer te La Fromagerie-Saint-Pierre d'Oléron:
De pineau wordt bewerkt op het moment van de vendanges. Men mengt drie vierde druivensap en een vierde cognac, die het jaar voordien gedistilleerd werd. De alcohol van de cognac belet de suikers van de druif te gisten . De pineau is dus een aperitief dat op een natuurlijke wijze gesuikerd en gealcoliseerd wordt . Verder laat men hem gedurende minstens twee jaar in eiken vaten rusten.
De pineau van de kust onderscheidt zich door zijn meer geprononceerde fruitsmaak.